Gokverslaving in Nederland

Zoals bekend kan gokken leiden tot verslaving met alle nare gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien. Om dit zo veel mogelijk te beperken in de samenleving, is het dus belangrijk dat de omvang van gokverslaving in Nederland zo goed mogelijk in kaart wordt gebracht.

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, hebben het onderzoeks en adviesbureau Intraval en Mediad onderzoek gedaan omtrent de huidige situatie op dit stuk. Een soortgelijk onderzoek vond al eerder plaats in 2005.

Het onderzoek maakte gebruik van diverse bronnen voor informatie.

  • Ruim 6.000 enquêtes onder personen van 16 jaar en ouder.
  • Verder ook 500 interviews met regelmatige kansspelers.
  • Relevante informatie uit recente literatuur.
  • Gesprekken met deskundigen van betrokken organisaties op dit gebied.

Op basis van dit onderzoek werd een rapport uitgebracht, getiteld “Gokken in Kaart gebracht”. Dit rapport bracht de volgende feiten aan het licht.

  • In 2011 waren er in Nederland naar schatting 8,7 miljoen recreatieve spelers. In 2005, was dit aantal nog 9,6 miljoen. Een lagere instroom van jongere spelers was de voornaamste reden voor deze daling.
  • In 2011 nam 62 procent van mensen tussen de leeftijd van 16 tot 21 jaar deel aan een kansspel. Zes jaar eerder was dit nog 72 procent.
  • Er is sprake van verminderde deelname aan casinospelen, automatenspelen en andere vormen van kansspelen in de afgelopen jaren. In het geval van automatenspelen is het aantal deelnemers zelfs met de helft afgenomen. De enige uitzondering is kansspelen via internet, waar het aantal spelers toenam van 130.500 in 2005 naar 257.500 in 2011.
  • De belangrijkste redenen voor het verminderd participeren zijn de algemene economische situatie in het land, het rookverbod en de aanpassing van het belastingregime.
  • In 2011 ware er 92.000 risicospelers en 20.300 probleemspelers. In 2005 was het aantal respectievelijk 55.000 en 28.700. Statistisch bekeken is het verschil in gevallen niet significant, omdat de betrouwbaarheidsintervallen van de schattingen in beide jaren met elkaar overlappen.
  • Risicovolle spelers, waaronder zowel probleemspelers als risicospelers vallen, nemen vaker deel aan kansspelautomaten, casinospelen, poker en sportpoules dan recreatieve spelers. De startleeftijd ligt ook lager.
  • Van de risicovolle spelers heeft ongeveer 36 procent deelgenomen aan kansspelen via internet, terwijl dat slechts een vijfde is bij recreatieve spelers.
  • Zowel bij recreatieve als risicovolle spelers zijn er meer rokers van tabak en cannabis dan gemiddeld het geval is onder de Nederlandse bevolking. Risicovolle spelers zijn ook vaker roker van zowel tabak als cannabis dan recreatieve spelers.
  • Het plegen van delicten komt vaker voor onder risicovolle spelers dan onder recreatieve spelers. Delicten worden bij meer dan 50 procent van de risicovolle spelers gepleegd in verband met gokken.
  • Meer dan 80 procent van de recreatieve en risicovolle spelers maakt gebruik van zelfcontroletechnieken om het eigen speelgedrag in de hand te houden.
  • Van de risicovolle spelers heeft 15 procent wel eens hulp gezocht in verband met gokproblemen.
  • Minder dan 10 procent van de risicovolle spelers heeft ooit een entreeverbod gehad bij amusementscentra.

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er over het algemeen minder gegokt wordt in Nederland en dat statistisch bekeken, het probleem van gokverslaving in Nederland op dit moment vrijwel onder controle is.

Blijf op de hoogte van de gokverslaving in Nederland op de site gok-verslaving.nl.